"Te goed" voor hulp, te slecht om mee te komen
Op het cluster 2 onderwijs kreeg ik eindelijk wél wat ik nodig had: intensieve logopedie, begrip, rust en structuur. Ik was niet raar, anders, lastig en al helemaal niet dom. Ik was gewoon één van de groep. Geen pestgedrag, geen buitenstaander. Gewoon... oké zijn. Wat een verademing.
Totdat ik terug moest naar het regulier onderwijs. Waarom? Omdat ik "te goed" was geworden voor het speciaal onderwijs.
Dat woord blijft bijzonder. Te goed. Alsof TOS een jasje is dat je uittrekt, zodra je genoeg vooruitgang boekt. Gefeliciteerd, u spreekt nu voldoende. Succes verder.
Vanaf groep 5 kreeg ik nog ambulante begeleiding, maar die stopte in groep 7. Weer "te goed" en precies daar begon het echte verschil zichtbaar te worden. Ik snapte de uitleg niet in één keer. Theorie voelde abstract en ongrijpbaar. Topografie was een puzzel zonder voorbeeldplaatje. Visuele ondersteuning? Nee hoor. Geschiedenis als losse feitjes zonder context. "Hier heb je een tijdlijn met jaartallen. Succes."
En Engels… laten we zeggen: mijn brein en Engels zijn nooit goede vrienden geworden.
Het moeilijkste was dat niemand het zag als een logisch gevolg van TOS. Ik werd beoordeeld alsof ik hetzelfde vertrekpunt had als iedereen en dat had ik niet.
Op het vmbo en mbo werd het niet beter. Niet omdat ik minder kon, maar omdat de omgeving minder meebewoog. Sterker nog, daar kwam deze klassieker steeds terug:
"Eh… een taalontwikkelingsstoornis? Nog nooit van gehoord."
Dit hoorde ik niet één keer, maar dit hoorde ik vaak. Van professionele hulpverleners, docenten, begeleiders en mensen met diploma's die mij moesten helpen. Maar die geen idee hadden wat TOS is, laat staan wat het doet met je mentale gezondheid.
En die link? Die is er. En hoe.