Jessica and her verbal Dyspraxia

Onderwijs met TOS

Voor peuters en kleuters met TOS bestaat er de vroegbehandeling. Op de vroegbehandeling leert het kind op een speelse manier nieuwe vaardigheden, woorden en gebaren.

Als je kind naar de vroegbehandeling gaat, dan bestaat er een digitaal schriftje. Daarin staat wat je kind in de groep heeft geleerd, maar je kunt als ouder zijnde er ook zelf inzetten wat je in het weekend of in de vakantie hebt gedaan en extra informatie. Zo wordt je wederzijds op de hoogte gehouden.

Zelf heb ik vroeger ook een schriftje gehad en wat vond ik dat prettig. Mijn moeder zette er altijd in wat we in het weekend of in de vakantie gedaan hadden, met foto's erbij. In de kring konden we dan vertellen wat we hadden beleefd. De leerkracht hoefde op deze manier niet telkens na te vragen, als ze iets niet verstond. 

Het doel van de vroegbehandeling:

  • Dat het leuk wordt om te communiceren.
  • Het leert nieuwe gebaren, woorden en vaardigheden.
  • De frustraties rondom TOS nemen af.
  • Het voorkomt dat de achterstanden zich verder gaan opbouwen.

Na de vroegbehandeling kan je kind naar het speciaal onderwijs. Het speciaal onderwijs, ook wel het cluster 2 genoemd, is er voor kinderen en jongeren met een taalontwikkelingsstoornis. Door heel Nederland is er speciaal onderwijs en speciaal voortgezet onderwijs. 

Het onderwijsaanbod is vaak hetzelfde, net als op het reguliere onderwijs, echter zijn er ook verschillen. Zo zijn de groepen op het speciaal onderwijs kleiner en krijg je meer aandacht. Ook heb je meer tijd om de gekregen informatie te verwerken en krijg je extra tijd voor opdrachten/ toetsen.

De leraren hebben veel aandacht voor de taalontwikkeling sociaal- emotionele ontwikkeling en de zelfredzaamheid. Het kan zelfs gebeuren dat je kind te goed voor het cluster 2 onderwijs wordt en het daarom weer terug mag naar het regulier onderwijs.

Als je kind naar het speciaal onderwijs gaat, dan heb je een onderwijsarrangement nodig. Dat is geen kant en klaar pakket, want elk kind met TOS heeft natuurlijk een andere hulpvraag. Het zijn ondersteuningsmaatregelen die zijn aangepast aan de onderwijsbehoefte van je kind.


De hulp

Vermoedelijk heeft ongeveer vijf procent van alle kinderen een taalontwikkelingsstoornis. TOS wordt niet altijd herkend. Het kan zijn dat eerst het vermoeden bestaat dat het kind gewoon niet zo slim is, of autisme of een ontwikkelingsachterstand heeft.

Tot ongeveer een jaar of zeven is de taal- en spraakontwikkeling het sterkst, daarom is het ook belangrijk om op tijd hulp te gaan bieden, zodat de taal- en spraakontwikkeling wordt gestimuleerd.

Bij een audiologisch centrum kun je je kind laten onderzoeken of er sprake is van een achterstand in de taal- en spraakontwikkeling. TOS kan namelijk onder andere worden veroorzaakt door een achterstand van de taal- en spraakontwikkeling. 

Bij het audiologisch centrum werken verschillende deskundigen. Zij kijken vanuit hun vakgebied naar de ontwikkeling van je kind. Ze onderzoeken niet alleen de spraak- en taalontwikkeling, maar ook de intelligentie, het gehoor, de motorische ontwikkeling en de sociaal- emotionele ontwikkeling. Hierdoor krijg je een duidelijk beeld van eventuele achterstanden van je kind.

De verschillende deskundigen:

  • Klinisch fysicus-audioloog: specialist op het gebied van gehoor en geluid. Hoofdbehandelaar van het audiologisch centrum
  • Audiologieassistente: voert hoor onderzoeken uit bij volwassenen en oudere kinderen
  • Logopedist: gespecialiseerd in taal- en spraakproblemen
  • Gedragsdeskundige: betrokken bij diagnostiek en advies rondom TOS
  • Maatschappelijk werker: ondersteunt bij het oplossen van problemen

Na het onderzoek wordt er besproken wat er is onderzocht, wat de resultaten zijn en wat de vervolgstappen zijn als blijkt dat je kind de diagnose TOS heeft. Ook kan het zijn dat je kind geen TOS heeft, maar een laatbloeier is of alleen een taalachterstand heeft. Mocht dat zo zijn, dan krijg je daar ook advies over.


Wat is TOS

Een taalontwikkelingsstoornis (TOS) is een aangeboren neurocognitieve ontwikkelingsstoornis. De taal wordt in de hersenen minder goed verwerkt. 

Als je de diagnose TOS hebt, dan kan het zijn dat je het moeilijk vind om taal te begrijpen of moeite hebt met het praten. De ontwikkeling van de taal en spraak is niet te vergelijken met die van leeftijdsgenoten. 

Kenmerken:

  • Het kind heeft moeite om op een woord te komen
  • Het kind is niet goed te verstaan
  • Het kind word boos als hij zich niet begrepen voelt of als anderen hem niet begrijpen
  • Het kind maakt korte zinnen of veel fouten bij het maken van zinnen
  • Het kind praat niet of weinig

Kinderen met TOS:

  • Horen goed
  • Leren langzaam en moeizaam hun moedertaal
  • Hebben een normale intelligentie
  • Vinden het moeilijk om klanken en woorden te onthouden
  • Hebben moeite met de grammatica
  • Vinden het lastig om met emoties om te gaan

Een taalachterstand en een taalontwikkelingsstoornis zijn twee verschillende dingen. Bij een taalachterstand hoort het kind zijn moedertaal te weinig. Door meer taalaanbod, kan de taalachterstand weg gaan.  

Bij een taalontwikkelingsstoornis is dat niet zo. Er gaat iets mis met het aangeboren vermogen van het leren van taal. Het proces van taalontwikkeling verloopt niet goed, omdat de hersenen taal niet optimaal verwerken. Meer aanbod helpt hierbij niet. Gespecialiseerd behandelaanbod is hierbij nodig.

Kinderen die meertalig opgroeien kunnen ook een taalontwikkelingsstoornis hebben. Het is wel zo dat als je meertalig opgroeit, dat TOS pas later ontdekt kan worden. Als je TOS hebt, dan heb je problemen met beide talen.

Mijn tip: blijft in meerdere talen met het kind praten, ook als het een taalontwikkelingsstoornis heeft. Het helpt als de ene de moedertaal blijft spreken en de andere in de meertalige taal. Zo weet het kind precies met wie het welke taal moet gaan spreken. Dat heeft mij ook het meeste geholpen.


De grove motoriek

Bij de grove motoriek gaat het om de grote bewegingen die je met je armen, benen en het hoofd maakt. Denk hierbij aan kruipen, lopen, rennen en springen. Maar ook fietsen, zwemmen, touwtje springen en het gooien en vangen behoren tot de grove motoriek.

Als eerstes ontwikkeld de grove motoriek zich vaak vanzelf. Pas later wordt de fijne motoriek ontwikkeld. Dit komt, omdat kinderen dagelijks bewegen en zo spelenderwijs oefenen om de bewegingen te verfijnen.

Hieronder vind je per leeftijdscategorie een aantal tips wat je met je kind kunt gaan doen om de grove motoriek te stimuleren.

Dreumesleeftijd 0-2 jaar:

  • Naar de speeltuin
  • Met een ballon spelen
  • Eropuit met de loopfiets
  • Bellenblaasspelletjes spelen

Peuterleeftijd 2-4 jaar:

  • Fietsen
  • Dansen op muziek
  • Hinkelen of springen
  • Spelletjes met de bal spelen

Kleuterleeftijd 4-6 jaar:

  • Zwemmen
  • Verstoppertje of tikkertje spelen
  • Over verschillende obstakels klimmen
  • Balanceren bijvoorbeeld op een stoeprand of over een evenwichtsbalk lopen

Basisschoolleeftijd 6-12 jaar:

  • Touwtje springen
  • Trampoline springen
  • Speurtocht organiseren
  • Met balsporten spelen bijvoorbeeld voetbal, basketbal of handbal

De fijne motoriek

Bij de fijne motoriek gaat het om de bewegingen die je met je armen, handen en vingers maakt om voorwerpen vast te kunnen pakken en te gaan gebruiken. Bijvoorbeeld: knippen, schrijven, veters strikken of een knoop los en vastmaken.  

Hiervoor moeten allemaal verschillende spieren goed samenwerken en gebruik je hierbij ook je ogen om visuele controle te hebben over wat je handen doen, ook wel de oog-handcoördinatie genoemd.

Hieronder vind je per leeftijdscategorie een aantal tips wat je met je kind kunt gaan doen om de fijne motoriek te stimuleren.

Dreumesleeftijd 0-2 jaar:

  • Bellenblazen
  • Kliederen met vingerverf
  • Torens bouwen en omgooien

Peuterleeftijd 2-4 jaar:

  • Kralen rijgen en sorteren
  • Knutselen met: klei, zand, water, scheerschuim, modder of krijt
  • Constructiespeelgoed: hameren, schroeven indraaien of moeren aanspannen

Kleuterleeftijd 4-6 jaar:

  • Figuren maken met strijkkralen
  • Helpen in de keuken bijvoorbeeld tafeldekken of brood smeren
  • Zelf helpen bij het aankleden bijvoorbeeld rits sluiten of veters strikken

Basisschoolleeftijd 6-12 jaar:

  • Een tol laten draaien
  • Ministeck kunstwerkjes maken
  • Gezelschapsspelletjes spelen bijvoorbeeld vier op een rij of Jenga

De motoriek

Bij de fijn motoriek gaat het om de bewegingen die je met je armen, handen en vingers maakt om voorwerpen vast te kunnen pakken en te gaan gebruiken. Bijvoorbeeld: knippen, schrijven, veters strikken of een knoop los en vastmaken.

Onder motoriek wordt verstaan: het geheel aan bewegingen. Je lichaam te laten bewegen en te gebruiken. De motoriek word onderverdeeld in de fijne en de grove motoriek. 

Hiervoor moeten allemaal verschillende spieren goed samenwerken en gebruik je hierbij ook je ogen om visuele controle te hebben over wat je handen doen, ook wel de oog-handcoördinatie genoemd.

Bij de grove motoriek gaat het om de grote bewegingen die je met je armen, benen en het hoofd maakt. Denk hierbij aan kruipen, lopen, rennen en springen. Maar ook fietsen, zwemmen, touwtje springen en het gooien en vangen behoren tot de grove motoriek.

Als eerstes ontwikkeld de grove motoriek zich vaak vanzelf. Pas later wordt de fijne motoriek ontwikkeld. Dit komt, omdat kinderen dagelijks bewegen en zo spelenderwijs oefenen om de bewegingen te verfijnen. 

Voor de meeste mensen is de grove motoriek makkelijker. Het gaat om bewegingen die we vanzelf leren. Dat komt omdat we de bewegingen dagelijks malen en het voor ons daardoor geen moeite meer kost.

Bij de fijne motoriek vereist het aandacht en concentratie, iets dat het kind vaak nog niet voldoende bezit. Op de basisschool wordt gewerkt aan de fijne motoriek. 

Op de kleuterschool leert het kind al knippen, plakken en tekenen. Voor ons lijken dit simpele handelingen, maar voor het kind is dit nog erg moeilijk.


Motorische ontwikkelingsstoornis

Kinderen met motorische ontwikkelingsstoornis hebben moeite met de coördinatie van bewegingen, daardoor zijn ze vaak onhandig. Ze hebben moeite met de dagelijkse handelingen zoals: aan- en uitkleden en veters strikken.

De motorische ontwikkelingsstoornissen kunnen diverse symptomen hebben. In de babytijd kan een vertraging in het bereiken van motorische mijlpalen zitten. Bijvoorbeeld: in het laat zitten, kruipen en lopen. Een motorische stoornis kan ook later optreden.

Hieronder vind je per leeftijdscategorie een aantal punten waar een kind met een motorische ontwikkelingsstoornis problemen mee kan hebben. Het overzicht is bedoeld voor ouders en verzorgers om zo op het spoor te komen of er sprake is van motorische problemen. Indien daar sprake van is om op tijd hulp in te schakelen. 


Dreumesleeftijd 0-2 jaar:

  • Bij het zitten kan het kind het hoofd niet stabiel rechtop houden - 5 maanden
  • Slappe spierspanning - 15 maanden
  • Het kind kan nog niet los lopen - 20 maanden

Peuterleeftijd 2-4 jaar:

  • Het kind valt veel - 2 jaar
  • Knoeit, morst veel en heeft veel ongelukjes - 3 jaar
  • Het lukt niet om een grote bal te vangen - 3,5 jaar

Kleuterleeftijd 4-6 jaar:

  • Valt om bij evenwichtsoefeningen, zoals op 1 been staan - 5 jaar
  • Moeite hebben met knopen dichtmaken en de veters strikken - 5 jaar
  • Moeite hebben met fietsen, rolschaatsen en touwtje springen - 6 jaar

Jongen kinderen met een motorische ontwikkelingsstoornis zijn goed te herkennen en daardoor zijn ze goed te behandelen. Als het kind wat ouders is kan dat wat lastiger zijn. Hier kun je een fysiotherapeut naar laten kijken.

De oorzaak van een motorische ontwikkelingsstoornis kan divers zijn. Het kan een erfelijke factor zijn, maar ook in de ontwikkeling speelt de opvoeding een belangrijke rol. De stoornis kan tijdelijk tot blijvend zijn. De motorische ontwikkeling verschilt per kind. Het ene kind ontwikkeld zich sneller dan de ander.


Wat is verbale ontwikkelingsdyspraxie

 Een verbale ontwikkelingsdyspraxie (VOD), ook wel spraak ontwikkelingsdyspraxie (SOD) genoemd, is een (uit)spraakstoornis.

Verbale dyspraxie is een motorische ontwikkelingsstoornis en deze valt onder een taalontwikkelingsstoornis (TOS). 

Het is een onrijpheid van de linker kleine hersenhelft, daardoor is het een stoornis bij het correct verwerken van informatie. Het is een spraakstoornis die te maken heeft met de beweging: de mond wil niet op de juiste manier bewegen.

Verbale dyspraxie is een aangeboren handicap en is niet zichtbaar. Dit leidt tot moeilijkheden bij de fijne en grove motoriek en bij de motorische vaardigheden.

Vaak gaat dyspraxie samen met problemen met de spraak, taal, waarnemen, denken en gevoelige tastzin.